Historie Kamp van Zeist
Het kamp kent een lange geschiedenis.
De heide bij Zeist was een prachtige plek voor een kampement. In 1804 bivakkeerde
20.000 man in het Kamp van Zeist en generaal Marmont liet zijn mannen de
pyramide van Austerlitz bouwen ter herinnering aan Napoleon. Later werd
het kamp gebruikt als oefenterrein voor schutters. In de eerste wereldoorlog
werden er Belgische soldaten geïnterneerd en in de tweede wereldoorlog
diende de locatie als krijgsgevangenkamp van de Duitsers.
Van 1954 tot 1994 zijn de Amerikanen er gelegerd. Tegenwoordig is een deel
in gebruik bij het Militair Luchtvaartmuseum.
De terreinen om het museum zijn
voorlopig Schots grondgebied waar de "verdachten van Lockerbie" zullen
kunnen worden berecht. Ondertstaand artikel verscheen in Seijst 1997-III,
het bulletin van het Zeister
Historisch Genootschap Van de Poll-Stichting: Het Kamp van Zeist bezongen,
door Jacky van den Dikkenberg, redacteur van Seijst.
Geen
knoop meer aan m'n broek...
...en andere ongemakken.
Volksliederen
worden mondeling overgeleverd en bij die overlevering gaat er
wel eens wat mis. Men verstaat een woord verkeerd, men vergeet
een regel en verzint er zelf wat bij. De heer Meerdink vertelde
mij onlangs dat hij het lied als kind, nu zo'n vijfenzeventig
jaar geleden, meermalen heeft horen zingen en ook de heer Visser
wist dat ook veertig jaar nadien het lied in Zeist nog algemeen
bekend was. De tekst die hij zich herinnerde, staat ook in zijn
boek Het Dorp Zeist:
Geen cent meer in je zak,
geen knoop meer aan je broek,
Dat zal zo heel lang niet meer dúúúren.
Strijdt broeders tot het laatste,
Want we gaan naar de Kamp van Zeist, faldera.
Strijdt broeders tot het laatste,
Want we gaan naar de Kamp van Zeist.
Vergelijkt men deze tekst met de notatie in het juni-nummer (Seijst
1996-III), dan vallen vele variaties op: de omdraaiing in de eerste
regel bijvoorbeeld, maar de betekenis is hetzelfde. De tekst gaat
terug op `Een nieuw lied op de Vrolijke Kamp bij Seijst', dat
minstens twee eeuwen oud moet zijn en dat ook bekend is onder
de intrigerende titel `Het koffiehuis bij Zeist'
Het Kamp van Zeist was in de eerste plaats een oefenkamp. Het
lied zou dan ook het afsluiten van de soldatenloopbaan bezingen.
Men trok naar het kamp van Zeist om de laatste grote oefeningen
te draaien, waarna men afzwaaide. L. Verhoeff noteerde een andere
versie: Kamp-lied
Wijze: Het hollandsch hart vergeet, enz.
Hoort mannen hoort de trom en de trompetter,
`t Is geen alarm maar `t is gewoon apel,
Wij zullen nu een Vredes-kamp betrekken,
Prins Frederik voert over ons bevel.
Als veldmaarschalk zoo braaf in deugd en zeden,
Wordt hij bemind van iedereen geëerd;
Gij weet toch hoe prins Frederik heeft gestreden
Dus mannen voorwaarts als hij kommandeert.
Op wapenbroeders laat ons flink marcheren
En trekken voorwaarts naar het Kamp bij Zeist.
Een goed soldaat moet toch ook eens kamperen,
`t Is Willem lll ons koning die het eischt,
Wij mogen daar ons pligt niet in verzaken,
Komt grijpt de wapens stevig in de hand,
Want komt `t gevaar ons dierbre grond genaken
Dan strijden wij voor `t vrije Nederland.
En zijn wij daar dan vrolijk aangekomen,
Vermoeid der marsch en ook wat vol met stof.
De orders hebt gij spoedig dan vernomen,
Hier is uw tent en poets de wapens af.
En dan gezwind als Nederlands soldaten,
Met spons en borstel lustig aan den strijd,
Terwijl een ander nog eens wat komt praten
Van `t garnizoen en van zijn lieve meid.
Nog informeler is de onderstaande variatie op de laatste regel:
Schijt, broeders, in je laarzen, want we gaan nu naar het Kamp
van Zeist, nondeju! 
Tot slot geef ik hier bij wijze van curiosa twee liederen uit
de tweede helft van de vorige eeuw, waarin het kamp van Zeist
wordt genoemd. Ik betwijfel of ze veel werden gezongen. Ze zijn
vooral een uiting van het "vaderlandsche gevoel" dat
we in de poëzie van deze tijd zo vaak vinden. Toch vinden
we vooral in het eerste lied, dat ongeveer in 1870 is gemaakt,
enige "realistische" beschrijvingen van het kampleven.
De bijbehorende melodie heb ik niet gevonden.
De avond valt de taptoe is geblazen,
En ieder krijgsman gaat dan naar zijn tent,
Na vizitatie houd men op met razen,
De lichten uit dat is van ouds bekend,
Men slaapt gerust steeds op lange veeren,
Wel niet zoo zacht als in het garnizoen,
Maar in het veld moet men toch iets ontberen,
De prins van oranje wil dat ook wel doen.
De duistre nacht van `t zware floers omgeven
Is dra voorbij de morgen die breekt aan.
Het sein wordt ons door `t morgenschot gegeven,
Dat wij aan `t strootjes rapen moeten gaan.
Is dat gedaan dan schielijk omgehangen.
Grijpt het geweer, uw ransel en de hoed.
Sergeant der week zegt dan naar zijn verlangen:
Komt mannen, hangt uw tas en ransel goed.
En dan geeft acht maar spoedig opmarcheren,
Het hoofd recht op `t commando is er uit.
Wij doen ons best om goed te defileren.
Want anders krijgt men toertjes bij de schuit
Maar neen wij willen hier ons pligt betrachten.
Opdat de exercitie goed mag gaan,
En slaat de trom wij laten ons niet wachten
Met Willem 3 zullen wij ten strijde gaan.
En nu tot slot een neerlandsch lied gezongen.
De koning leve en ook het oranje-huis,
Het bloeije lang en blijve ongeschonden
Van dwingelandij en ook van vreemd gespuis.
Ons neerlandsch bloed stroomt ons vrij door de aderen, Dan blijft
`t gevoel wij hebben ons verpand
En mogt de vijand onverwacht ons naderen
Dan strijden wij voor vorst en vaderland.
Van het volgende lied geef ik alleen de eerste en de laatste (achtste)
strofe.
Troostlied voor de minnaressen der miliciens van 1856
en 1857.
Zoetlief, wilt u maar opbeuren,
Over drie maandjes, komen wij weer,
Komt maar vroolijk, zonder treuren,
Het is toch voor de laatste keer,
Wij houden ons constant,
En reiken elkaar de hand,
Wij dienen altijd voor ons vaderland.
Hier hebt gij duidelijk het bewijs,
Wij gaan nu weer naar de kamp van Zeist.
Adieu, adieu dan, zielsvriendinnen!
Houdt u goed, wij moeten gaan,
Denkt altoos, dat wij u beminnen;
Wij hooren reeds de trommel slaan.
Ja wij zijn bereid, Voor die korte tijd,
Voor het laatst nemen wij afscheid:
Dat is duidelijk het bewijs,
Wij gaan weer naar de kamp van Zeist.
De weggelaten tekst laat zich makkelijk raden: de beeltnis van
het meisje dat oprijst voor het geestesoog van de wakkere soldaat,
die ook als hij `s nachts moet wachtlopen zijn plicht kent, helpt
hem niet te verzaken en Oranjes vlag wapperend te houden, enz.
enz. Wij zijn nog niet uitgezongen, er komt nog meer. Jacky
van den Dikkenberg.
bronnen
HET STRAATLIED; een bundel schoone historie-, liefde- en oubollige
liederen, dl.1, verz. en ingel. door D. Wouters en Dr. J. Moorman.
Amsterdam, 1933. p. 105-106 en 111-112. Verhoeff, L., SOLDATENFOLKLORE.
Militair-historische bijdragen van de sectie Krijgsgeschiedenis,
dl.2. z.p., z.j. [± 1977] p. 243-244. Visser, L., HET DORP
ZEIST. Zeist, 1980. p. 4. Met dank aan het Nederlands Volksliedarchief,
Martin Kuijlenburg en Leo Visser.
|
|